|
Als grondlegger van de contacten tussen Europa
en het mysterieuze Azië kan Marco Polo worden genoemd, die in 1271 over land
naar China schijnt te zijn gereisd en wiens belevenissen tijdens een
gevangenschap in Genua zijn opgetekend.
De vroegste vermelding van thee in de
westerse literatuur dateert evenwel uit 1559.
In dat jaar verscheen namelijk te
Venetië een door Giambattista Ramusio samengesteld boek met als titel "Navigatione
et Viaggi" , waarin verschillende reisverhalen gebundeld zijn.
Hiertoe
behoort onder meer het verslag van een Perzische koopman Hajji Mohammed, die
tijdens een bezoek aan China de "Chiai Catai" had leren kennen, welke
heilzame drank bereid werd door bladeren (theebladeren dus) te koken in water.
Na het midden van de zestiende eeuw hebben ook enkele Portugese en Italiaanse
geestelijken, die als missionarissen door China en Japan hadden rondgetrokken,
bij de beschrijving van hun ervaringen de consumptie van thee vermeld.
De eerste Nederlandse publicatie,
waarin aan de thee aandacht wordt geschonken, is het boek "Itinerario,
voyage ofte schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naer Oost ofte Portugaels
Indien", dat in 1596 te Amsterdam werd uitgegeven.
Van Linschoten
(1563-1633), die aan boord van een Portugees schip een aantal landen in Azië
had bezocht, schrijft hierin, dat men in Japan "een cruijt ghenaemt Chaa"
kende, "twelcke seer gheacht wert".
Nadat in 1595 de Portugezen hun
havens voor Nederlandse schepen gesloten hadden, nam men het besluit om vanuit
Holland naar het verre Indië te trekken en aldaar zelf de koophandel te gaan
bedrijven. 

Toen er na een aantal succesvolle tochten een
moordende
concurrentiestrijd dreigde los te barsten
tussen de verschillende
handelscompagnieën,
die in korte tijd ontstaan waren, werd in 1602 de
Verenigde Oost-Indische
Compagnie in het leven
geroepen.
Reeds een jaar daarvoor had een
Nederlands schip
de Chinese kust bereikt, maar was door ongunstige
wind
aanvankelijk in Macao terecht gekomen, waar de opvarende uiterst vijandig
ontvangen werden door Portugezen, die daar een handelspost bezaten.
Na veel
moeilijkheden kregen de Hollanders uiteindelijk toestemming van de Chinese
autoriteiten om op het eiland Taiwan een vestiging te stichten, waar handel
mocht worden gedreven met Chinese kooplieden, die hen vanaf het vaste land
zouden komen bezoeken.
De Hollanders accepteerden dit voorstel niet, maar
bouwden eigenmachtig een fort op de
gunstiger gelegen eilandengroep
Pescadores,
terwijl zij bovendien plunderingen uitvoerden op de kust van China.
Hoewel men
aanvankelijk gehoopt had door dit provocerende optreden de Chinezen zoveel angst
te kunnen inboezemen, dat gunstige handelsovereenkomsten zouden kunnen worden
afgedwongen, bereikte men daarmee echter het tegendeel; de moeizaam tot stand
gekomen contacten werden verbroken, terwijl zware aanvallen op de vestiging, die
op de Pescadores was aangelegd, er in 1628 toe leidden, dat de Hollanders zich
toch naar Taiwan moesten terug trekken.
Tegen de verwachting in is Taiwan
gedurende enkele decennia een winstgevend gebied
gebleken voor de V.O.C., zowel
door de handel met de inwoners aldaar als door de
vandaaruit onderhouden
betrekkingen met het Chinese vasteland.
Ten gevolge van politieke troebelen in
China zelf ontstonden er kort na 1650 opnieuw grote moeilijkheden, waarbij met
name de opstandelingenleider Coxinga een belangrijke rol heeft gespeeld.
Zijn
troepen brachten de Nederlanders op Taiwan zware nederlagen toe, en wisten hen
in 1668 geheel uit dit gebied te verdrijven.
Inmiddels hadden gezantschappen naar de keizer in Peking, welke in de jaren 1655 en 1666 plaats hadden gevonden,
niet veel positieve resultaten voor de Chinahandel opgeleverd.
Weliswaar zijn
aan het einde van de zeventiende eeuw in Canton nog enkele malen
handelscontacten tot stand gekomen, maar ook daarbij zijn weinig successen
geboekt.

Veel belangrijker waren onze relaties met de
Chinese kooplieden, die zich te Batavia in een aparte wijk hadden gevestigd met
een min of meer autonoom bestuur.
Aan het hoofd van deze groepering stond een
"cappiteyn ofte overste der Chineesen", die door de
gouverneur-generaal werd benoemd en als contactpersoon fungeerde.
Via hun
bemiddeling kwamen talloze jonken vanuit China naar Batavia en kon men - zonder
de hierboven geschetste moeilijkheden en belemmeringen - in het bezit komen van
de fel begeerde koopwaren uit hun land.
De theehandel was gedurende de eerste
helft van de zeventiende eeuw overigens nog nauwelijks van enige betekenis
geweest.
Rond 1610 werd een eerste kleine hoeveelheid
thee louter uit curiositeit naar Holland overgebracht, terwijl ook in de daarop
volgende periode enkele kleine partijen aangevoerd schijnen te zijn. Thee was in
deze beginperiode niet altijd verkrijgbaar, zodat men op 15 december 1629 - naar
aanleiding van een vraag daaromtrent - vanuit Batavia moest laten weten: "Jappanschen
cha ofte Chineesen thee is niet te becomen; tegens aenstaende jaer verhoopen die
te versorgen."
Blijkbaar is aanvankelijk voornamelijk Japanse thee naar
Nederland verscheept; bij een zending van slechts 96 pond uit China afkomstige
thee in 1634 werden de in Holland zetelende bewindhebbers of "Heeren XVII"
van de V.O.C. dan ook om hun oordeel gevraagd: "soo den Chineesen tee
profijt gevenden treck heeft, men sal quantiteijt genoech becomen connen, de
bevindinge sullen gaerne verstaen."
Op 26 juli 1635 werd aan het
"Opperhoofd" van onze factorij te Firando het verzoek gestuurd om
"Een half dosijn potkens Japansen cha" in te kopen, waarbij was
aangemerkt, dat deze thee voor "t vaderlant" bestemd was;"Yder
potken inhoudende twee ofte drie pont van de gem. cha, alsso der eenigen
persoonen beginnen veel wercx of te maecken."
Dat men langzamerhand
belangstelling voor de thee begon te krijgen, wordt ook duidelijk uit een
soortgelijk bericht dat de V.O.C. in 1637 naar Indië liet overbrengen en dat
alsvolgt is geformuleerd: "Alsoo de Tee by sommige int gebruyck begint te
komen, sullen met alle Schepen, zoo van Chineesen als Japanse eenige potten
verwachten."
Wanneer men de ladingslijsten van koopvaardijschepen, die de
handelsposten bij China bezochten, nader onderzoekt, dan blijkt, dat in deze
periode de aankoop van thee inderdaad sterk toeneemt.
Zo treft men in een
factuur van "Chineese Coopmanschappen ... in Taijouan gelaeden", welke
dateert uit 1643, onder meer circa 1400 pond thee en 7675 paar theekopjes aan.
Men diene zich daarbij evenwel te realiseren, dat een belangrijk deel hiervan
waarschijnlijk voor Batavia zelf bestemd zal zijn geweest, waar onder de
Hollandse ingezetenen het theedrinken veel eerder ingeburgerd is dan in het
vaderland; "Daeghelijcks werd in Oost-Indien seer veel gebruyckt het
Thee-water/ met allerley Confituren, by Persoonen van hoogen en laegen stand.
Te
Batavia kan men bij de Chineesen voor twee stuyvers Hollandsche geld soo veel
Thee-water, nevens veelerley Confitueren, bekoomen, dat een mensch alleen sigh
seer wel daar meë kan laeten vergenoegen."
Toen in 1667 voor het eerst een grote party
thee, waarvoor in Batavia geen belangstelling bestond, naar Amsterdam werd
overgebracht, vond deze - tegen de verwachting van de V.O.C. - grif aftrek bij
het publiek.
De thee bleek weldra een zeer winstgevend artikel te zijn, waarvan
de aanvoer op de Nederlandse markt meer en meer in omvang toenam.
Opvallend is, dat de waarschijnlijk in
poedervorm geleverde Japanse thee van oudsher in "aarden potten met eenen
naauwen hals" getransporteerd werd, terwijl de Chinezen hun thee verpakten
in houten kisten, die aan de binnenzijde bekleed werden met theelood (een
mengsel van zink en tin); "Hoe kostbaarder de Thee is, zoo veel te kleinder
is de kist, en zoo veel meer zijn de versierselen, die op dezelve geschilderd of
geplakt, en op het vloeipapier gedrukt zijn."
Ook in de lijsten van door de V.O.C. aangevoerde waren, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw
regelmatig in de "Hollantsche Mercurius" gepubliceerd werden, is een
duidelijk onderscheid gemaakt tussen "Potten (Japonse) Chia" en "Catty
(Cantonse) Thee."
Het is niet verwonderlijk, dat bij matrozen en
andere opvarenden van onze koopvaardijvloot de gewoonte ontstond om in hun
bagage thee, porcelein en andere waren te vervoeren, die in ons land voor hoge
prijzen aan de man gebracht konden worden.
Aangezien men constateerde, dat de V.O.C. hiervan nadeel ondervond en vooral de thee "in soo groote quantiteyt
van bussen, flessen, canassers etc." door particulieren werd meegenomen
"dat het alle maet te buyten gaet", werd in 1685 besloten om deze
handelswaar voortaan te beschouwen als "een coopmanschap die de Compagnie
voor haer alleen is reserveerende, en dat dienvolgende deselve nae desen by
niemant wie hy oock sy sal mogen werden overgesonden off overgebracht ... op
poene van confiscatie."
Hoewel deze prive-bijverdiensten dus nadien
niet meer geoorloofd waren, schijnt het vrijwel onmogelijk geweest te zijn om
aan dergelijke praktijken een einde te maken.
Het onderschrift bij een uit circa
1700 daterende prent, waarop een "Oost Indise Bootsgezel" is
weergegeven, vermeldt de in dit verband toepasselijke - alsmede enigszins
bedenkelijke - uitspraak van deze varensgast: "'k Heb vogelen teegoed aapen;
'k Brand om bij jou te slapen."
Nog duidelijker wordt dit verschijnsel
belicht in een bericht uit de Amsterdamse Courant van 11 oktober 1695, waarin de
vermissing van een scheepskist wordt vermeld, die "ten onrechte uyt het
Oost-Indisch Pakhuys deser Stede gehaelt" was; in deze koffer had zich
namelijk niet alleen een grote partij vuil linnengoed bevonden, maar ook vele
kostbare zaken, zoals "Flessen met Thee", "1 Verlakt Thee
tabletje, 8 of seskantig op een voetje", porselein, etc.
Bij hun poging om handel te drijven met
Aziatische volkeren hebben de Hollandse kooplieden niet alleen met de Chinezen
contacten gezocht, maar zijn zij eveneens reeds in een vroeg stadium naar Japan
getrokken.
Al in 1600 had het schip "De Liefde" dit land bereikt,
terwijl in 1609 een officieel bezoek werd gebracht, waarbij men de toestemming
verkreeg om onderling handel te drijven; hiertoe werd nog in ditzelfde jaar een
factorij gesticht te Hirado.
Uit vrees voor de verspreiding van de Christelijke
religie werd door de Japanners de bewegingsvrijheid voor de Hollanders en andere
Europeanen echter weldra drastisch ingeperkt.
Zij kregen in 1641 zelfs opdracht
om hun nederzetting in Hirado af te breken en zich te vestigen op het
waaiervormige eilandje Deshima, dat slechts via een zwaar bewaakte brug met de
stad Nagasaki verbonden was.
Ten gevolge van hun fanatieke pogingen om het
katholicisme te prediken waren de Portugezen inmiddels zelfs voorgoed uit Japan
verbannen.
Alle contacten tussen de Japanners en de Westerse wereld zijn tot in
de negentiende eeuw toe dan ook uitsluitend tot stand gekomen via de kleine
Nederlandse kolonie.
Hoewel onze landgenoten aldaar een zeer geïsoleerd leven
hebben geleid en bovendien aan verschillende strenge voorschriften onderworpen
waren, is hun aanwezigheid toch van invloed geweest op de Japanse cultuur; zo
bestond er bijvoorbeeld een grote belangstelling voor de Nederlandse taal,
waarin - vooral in het begin van de vorige eeuw - verschillende Japanse
intellectuelen hun verhandelingen hebben geschreven.
Ook trachtten de keizer en
zijn hoge ambtenaren voortdurend in het bezit te komen van westerse instrumenten
en luxe artikelen, die veelal als steekpenningen van het Hollandse
"Opperhoofd" verkregen werden in ruil voor gunstige
handelsvoorwaarden.
Deze verlangens werden kenbaar gemaakt in gedetailleerde
"wensenlijsten", die aan de kooplieden ter hand werden gesteld en bij
een volgend bezoek ingewilligd dienden te worden; de hierin omschreven
voorwerpen, welke men blijkbaar bij de Hollanders in gebruik had gezien, variëren
van een duikerklok tot een horloge met pornografische voorstellingen.
Niettegenstaande het feit, dat gedurende de
gehele zeventiende eeuw thee, porselein en lakwerken vanuit Japan zijn
aangevoerd, heeft deze handel nooit een zodanige omvang bereikt, als die welke
op dit gebied met de Chinezen werd gedreven; vooral dank zij de goede
betrekkingen met hun kooplieden, die zich in Batavia gevestigd hadden, konden
grote hoeveelheden van de bovengenoemde waren door de V.O.C. worden ingekocht of
tegen andere produkten geruild.
In deze situatie is in 1717 evenwel een
verandering gekomen, toen de gezagdragers in Indië, die van mening waren dat de
Chinese kooplieden door hun monopoliepositie te hoge bedragen voor de door hen
geleverde thee in rekening brachten, hiervoor eigenmachtig vaste prijzen gingen
vaststellen, die - afhankelijk van de kwaliteit - varieerden van 40 tot 80
rijksdaalders per picol (125 pond).
De Chinese keizer reageerde op deze
prijsverlaging voor thee met een verbod aan zijn onderdanen om in het buitenland
handel te drijven.
Desondanks bleef het toch steeds mogelijk om kleine
hoeveelheden thee naar Batavia over te brengen, terwijl na verloop van enige
jaren de gevolgen van deze belemmerende bepaling nauwelijks meer merkbaar waren.
Weldra ontstonden er voor de V.O.C. opnieuw moeilijkheden, toen - met behulp van
uit Amsterdam uitgeweken kooplieden - in Oostende en vervolgens ook in
Denemarken compagnieën werden opgericht, die hun schepen rechtstreeks naar
Canton stuurden om daar thee in te kopen.
Aanvankelijk heeft de V.O.C.
geprobeerd om deze nieuwe mededingers de wind uit de zeilen te nemen door van de
Chinese leveranciers in Batavia kolossale hoeveelheden thee te betrekken en naar
Holland over te brengen; men hoopte tevergeefs, dat op deze wijze de markt
zozeer overvoerd zou worden dat de concurrenten geen winsten meer konden maken
en hun activiteiten zouden moeten staken.
De Compagnie van Oostende wist zich
evenwel staande te houden, mede door de goede kwaliteit van haar thee, die te
danken was aan een betere verpakking die men in Canton gewoon was te gebruiken
en aan de iets kortere reisduur.
De enige mogelijkheid die de V.O.C. overbleef,
was om ook zelf de thee in China in te kopen.
Met dit doel werd in 1728 het
schip "Coxhorn" naar Canton gestuurd, dat in 1730 rijkbeladen
terugkeerde; aan boord bevond zich maar liefst 268.479 pond thee, alsmede grote
hoeveelheden porselein en kostbare stoffen.
Na deze succesvolle en zeer
winstgevende tocht zijn gedurende de gehele achttiende eeuw vele schepen van de V.O.C. naar China gereisd voor de theehandel.
In Whampoa, de haven van Canton
waar diverse Europese landen hun vestigingen zouden laten verrijzen, werd een
Hollandse factorij gebouwd, waarin de kooplieden hun onderhandelingen konden
voeren en aangevoerde handelswaar werd opgeslagen.
Hoe de "Negotie der Europiaane op
China" geschiedde, wordt duidelijk bericht in een manuscript met die titel
waarin vele gegevens vermeld zijn, die bij de handel met Chinezen van belang
konden zijn.
Als goederen, die men in China kan kopen worden de volgende
producten genoemd: "Thee van diverse soorten, Ruwe Zyde, Zyde Stoffen,
Goud, Spiauter, Porselynen, verlakt werk, Campher, Radix China, Rabarber, &
Kwiksilver".
Aan de thee met zijn verschillende types en de daarvoor
geldende prijzen is uitvoerige aandacht besteed, alsmede aan de manier, waarop
de bladeren geplukt en behandeld worden.
Ook schijnt een waarschuwing daarbij
niet overbodig geweest te zijn: "De Chinese vervalsche veeltyds de Thee
diese aan de europiane verkoope, waar om men se by den ontvangst niet te exact
te examinere."
Men diende bij het volstouwen van de theekisten dan ook
voortdurend aanwezig te zijn om erop toe te zien, dat zij niet gedeeltelijk met
thee van een slechte kwaliteit of zelfs met afval gevuld werden; zo trof in 1739
een Rotterdamse koopman in elf kistjes thee, die hij ontvangen had een groot
aantal stukken lood aan met een totaal gewicht van 27 3/4 pond.
"Somtyts
storte de Coulis de Canassers schielyk ledig en werpe UE kwansuys by ongeluk de
Thee inde Oogen" om op deze listige wijze tijdelijk vrij spel te hebben bij
het verrichten van hun kwalijke praktijken.
Bij de aankoop van de thee was het
noodzakelijk om een uitvoerig contract op te laten stellen om te vermijden dat
achteraf extra onkosten voor tolheffingen, transportkosten, het vervaardigen van
de met lood beklede kisten en andere onverwachte bijkomstigheden in rekening
werden gebracht.
Naast de uitvoerige adviezen met betrekking tot de theehandel,
verstrekt het manuscript ook gegevens over de andere Chinese handelswaar.
Over
porselein weet onze schrijver te berichten, dat het "wynig dagens rysens"
vanaf Canton vervaardigd wordt en leverbaar is in "Couleur en formaat soo
als men het begeert, en soo als men denkt in Europa getrokke sal zijn."
Door de grote vraag worden de prijzen jaarlijks hoger; als criteria bij de
bepaling van de waarde ervan worden "het wit van de aarde, schoonheyd van
het formaat, groote van de stukke, teekening en schildering" genoemd.
Tenslotte geeft de verhandeling inzicht in de ingewikkelde Chinese maten,
gewichten en geldswaarden, waarbij de equivalenten hiervan in door ons gebruikte
eenheden vermeld zijn; voor de "supercarga" worden richtlijnen gegeven
voor de gang van zaken bij aankomst en tijdens de aanwezigheid in Canton,
alsmede voor de daarbij gebruikelijke eerbetuigingen en andere plichtplegingen
jegens hoge Chinese ambtenaren.
Aangezien thee naar verhouding een vrij laag
soortelijk gewicht heeft, was het noodzakelijk om de stabiliteit - en daarmee de
zeewaardigheid - van de bij het transport gebruikte zeilschepen te vergroten
door eerst een zware kielbalast aan boord te brengen, die meestal uit een
omvangrijke partij porselein bestond; ook werden zogenaamde
"theebeelden" meegenomen, welke objecten dikwijls als decoratie een
plaats kregen in de Hollandse theewinkels. Bovenop de basislading, die uit één
laag kisten bestond en die geheel reukloos diende te zijn om te vermijden dat de
thee door vreemde geuren zijn kwaliteit zou verliezen, werden meestal zes lagen
theekisten opgestapeld; bij het doorgaans voor de theevaart gebruikte
scheepstype konden op deze wijze twee- á drieduizend kisten aan boord worden
genomen met een totale inhoud van circa 500.000 pond thee.
Lakwerk en kostbare
stoffen, zoals zijde, werden niet in het ruim opgeborgen, maar kregen een plaats
in de kajuit of de konstabelskamer.
Het bewaard gebleven "Journaal van het
Schip Canton" toont aan, dat men maar liefst twee maanden bezig was met het
laden van dit koopvaardijschip, dat in de winter van 1787-88 de gelijknamige
Chinese havenstad bezocht; aangezien het verslag in de vorm van een dagboek
geschreven is, blijkt hieruit ook de volgorde, waarin de diverse artikelen aan
boord kwamen en in welke hoeveelheden.
Aangezien men bij de zeilvaart in hoge mate
afhankelijk was van gunstige wind, waren als gevolg van de in de tropen
langdurig heersende passaten jaarlijks slechts enkele tijdstippen gunstig voor
vertrek vanuit Nederland naar Batavia of China en terug.
Bovendien nam in de
achttiende eeuw de overtocht - zelfs onder gunstige omstandigheden - doorgaans
een half jaar in beslag !
Het hierboven reeds genoemde schip "Coxhorn"
bijvoorbeeld voer in de eerste dagen van januari 1730 uit Canton weg en liet op
13 juli van dat jaar bij Tessel het anker vallen.
Later is deze reisduur aanzienlijk verkort,
toen de snelle "clippers" voor de theevaart in gebruik werden genomen.
Dit scheepstype was rond 1810 in Baltimore ontwikkeld als patrouillevaartuig,
maar werd nadien in een vergrote versie ook voor de koopvaardij geschikt
gemaakt.
Met deze schepen hebben vooral de Engelsen in de jaren 1860-70 hun
legendarische "tea-races" gehouden, waarbij men probeerde om de eerste
thee van het nieuwe seizoen zo snel mogelijk op de Londense markt aan te voeren,
enkele malen is men er in geslaagd om de afstand China-Londen in minder dan
honderd dagen af te leggen.
Hoewel ook voor de Nederlandse koophandel dergelijke
snelle schepen gebruikt zijn om het transporteren van de thee te kunnen
bespoedigen, heeft het wedstrijdelement nooit zo'n belangrijke rol gespeeld,
aangezien in deze periode onze thee voornamelijk uit Java afkomstig was, waar
dank zij het tropische klimaat een meer constante productie mogelijk was, die
niet door het winterseizoen werd onderbroken.
Uiteindelijk heeft het stoomschip in zeer korte
tijd een definitief einde gemaakt aan de lange traditie van de zeilvaart, nadat
in het najaar van 1869 het nieuwe Suezkanaal was geopend.
Hierdoor ontstond er
plotseling een aanmerkelijk kortere verbinding tussen West-Europa en de
Aziatische theelanden, maar deze was door de geringe breedte van de doorvaart
voor het manoeuvreren van zeilschepen geheel ongeschikt.
|